Als eerste kwam onze advocaat aan het woord. Zij was zeer goed voorbereid en werd bijgestaan door twee ter zake kundigen van de Stichting Taalverdediging. Advocaat somde in een helder betoog onze bezwaren op en onderbouwde deze met bewijsstukken. Daarna kreeg de advocaat van de tegenpartij het woord. Deze volstond met het plaatsen van een aantal opmerkingen. Dat was wel begrijpelijk, want hem stond, in tegenstelling tot onze rechtskundige, geen letter, punt of komma uit welke wet dan ook ten dienste om het handelen van zijn cliënt te rechtvaardigen. Het enige waar hij feitelijk om vroeg was het gedogen van het handelen van het BOOR. Hij beklaagde zich erover dat de pijlen van Taalverdediging al jarenlang op de Rotterdamse onderwijsbestuursinstelling waren gericht, terwijl de wet op dit gebied inmiddels ook op vele andere scholen in Nederland werd overtreden. De pleiter vergat daarbij gemakshalve te melden dat zijn client met het invoeren op grote schaal van tweetalig basisonderwijs was begonnen en daarmee deze pijlenregen over zichzelf had afgeroepen. Vervolgens kreeg de leidster van het Early Birdproject de gelegenheid de gewraakte wijze van onderwijs te verduidelijken. Zij deed dit met behulp van een videopresentatie, die de Taalverdedigers de koude rillingen over de rug deed lopen. In deze video werd loepzuiver getoond hoe een aantal Nederlandse kleuters ondergedompeld werden in een bad van Engelstaligheid. De kleintjes mochten allerlei vragen van een Engelstalige juf beantwoorden, in het Engels natuurlijk!, en werden verder door deze leerkracht gezellig beziggehouden met Engelse spelletjes. Ook mochten ze nog een Engels liedje zingen. Zo werd getoond hoe Nederlandse kindjes vakkundig werden opgevoed tot Engelse kindjes. De Early Birdmevrouw in de rechtszaal glom daarbij van trots en verheugde zich zichtbaar over de in beeld gebrachte onthechting van hun omgeving en afkomst van de volgende Nederlandse generatie. De directeur van het BOOR deed vervolgens ook nog een valse duit in het zakje, en toen kwam het hoogtepunt van de middag: het optreden van de twee leden van de Onderwijsinspectie. Zij werden onder ede door de rechter ondervraagd. Hun antwoorden waren zo bizar dat enkele Taalverdedigers in de zaal moeite hadden niet van verbijstering van hun stoel te vallen. Het bleek dat beiden geheel onder een hoedje speelden met het BOOR. Zij verdedigden te vuur en te zwaard het handelen van het onderwijsbestuur. De ene inspecteur, mevrouw Coenen, was degene die indertijd van staatssecretaris Dijksma opdracht had gekregen te onderzoeken of in Rotterdam onderwijs in het Engels werd gegeven en daarmee de wet werd overtreden. De inspectrice bleek zich, zogenaamd uit tijdgebrek, ervan af te hebben gemaakt door telefonisch en per e-post enkele vragen aan de hoofden van de Early Birdscholen te stellen. Van enige controle in

de scholen, ook steekproefsgewijs, had zij afgezien. “Dat was niet nodig,” zei zij. Op grond van de uitkomst van dit vage onderzoek is dus de Tweede Kamer door de staatssecretaris misleid en heeft de Kamer afgezien van een verbod van het Early Bird-onderwijs. De boosdoenster bleek zich van geen schuld bewust en verdedigde zelfs haar falen door te vertellen dat haar methode bij de Onderwijsinspectie heel normaal was. Na haar was het de beurt van haar collega Storimans om als getuige vragen van de rechter te beantwoorden.

Deze heer maakte het zo mogelijk nog bonter. Hij verklaarde doodleuk dat het basisonderwijs in zijn ogen geen vakken kende en dat het de scholen vrij
stond bij de lessen gebruik te maken van de Engelse taal. Op de vraag van de rechter bij hoeveel procent van de lessen, bestond hij het zelfs te zeggen
dat dit wel 99% mocht zijn. Het ging er eigenlijk bij zijn inspecties alleen om of de onderwijsdoelen wel gehaald werden, de rest interesseerde hem niet. De rechter zei zéér verrast te zijn door dit antwoord. Zij wilde van Storimans weten of dat allemaal wel
in overeenstemming met de wet was. Daarop antwoordde de inspecteur  glashard met “ja.” Hij zei zelfs dat het tweetalig basisonderwijs de volle steun genoot van het ministerie en de
onderwijsinspectie en dat de initiator van het tweetalig onderwijs, het Europees Platform voor Nederlands Onderwijs, daarom zo veel subsidie van het
ministerie ontving. Het wetsartikel waarin staat dat het basisonderwijs in het Nederlands gegeven moet worden werd door hem schouderophalend afgedaan
als iets onbenulligs. “Als de doelstellingen maar gehaald worden”, zei hij herhaaldelijk. De rechter wilde ook nog weten waarom er dan een experiment met 
tweetalig basisonderwijs was ingesteld op basis van de Experimentenwet Onderwijs. Dat kwam volgens Storimans omdat de Experimentenwet slechts een financieringswet was. Op deze wijze kon het experiment gefinancierd worden door de overheid. Wet of geen wet, laat het Engels maar door de klaslokalen
schallen, was de strekking van zijn antwoorden. De rechter zaagde deze getuigende inspecteur nog een tijdje door en wilde toen van gedaagde weten wat
eigenlijk het verschil was tussen het Early Bird-onderwijs en het onderwijs van het experiment van de minister. Gedaagde draaide er nogal omheen, waarna de rechter de gevolgtrekking maakte dat de beide vor
men van onderwijs dan wel formeel verschillend waren, maar in de praktijk op hetzelfde neer kwamen. Daarmee bevestigde zij in feite onze vaststelling dat de toenmalige staatssecretaris Dijksma en de tegenwoordige minister van Onderwijs, Van Bijsterveld, de Tweede Kamer vals hebben voorgelicht! Na een korte onderbreking kregen partijen nog de gelegenheid een en ander van commentaar te voorzien, waarbij de advocaat van het BOOR schermde met een brief van de voor-voorlaatste minister van Onderwijs, waarin, let wel, stond dat er op de basisschool van alles mocht worden onderwezen, maar wel op voorwaarde dat het Nederlands te allen tijde de voertaal was. Dit laatste vergat hij evenwel aan te halen, maar dat werd door onze advocaat vervolgens voor de goede orde even vermeld. Afgesproken werd daarna dat partijen elk nog een slotnota zouden nemen om daarin onder andere nog hun opmerkingen over de getuigenverklaringen te kunnen geven en bewijsstukken te onderbouwen. Uitspraak naar verwacht begin november.