Bespreking van de uitspraak in de zaak tegen BOOR

Introductie

De uitspraak in deze zaak is het resultaat van een lange juridische strijd tussen Taalverdediging en BOOR. Stichting BOOR begon in 2002 met een nieuwe manier van onderwijs geven volgens het Early-Birdproject. Hierbij werd niet langer Engelse les gegeven, maar Engels als voertaal in het basisonderwijs gebruikt. Dit is een bedreiging voor de Nederlandstaligheid van onze samenleving alsook een wetsovertreding, want de Wet op het Primair Onderwijs verplicht het gebruik van Nederlands als voertaal. Taalverdediging stapte naar de rechter om aan deze ogenschijnlijk wetsovertreding die zo klaar als een klontje was een eind te maken.

De processen bij de bestuursrechter

Het stoppen van een simpele wetsovertreding bleek niet eenvoudig. Onder het bestuursrecht moet je eerst in bezwaar gaan bij het bestuursorgaan zelf en dan pas is een beroep bij de bestuursrechter mogelijk. BOOR verklaarde Taalverdediging simpelweg niet ontvankelijk en behandelde onze bezwaren niet inhoudelijk, waardoor Taalverdediging eerst moest procederen om ontvankelijk verklaard worden. Juridische onervarenheid bij Taalverdediging maakte het ook nog noodzakelijk dit via hoger beroep gedaan te krijgen. Pas nadat deze kwestie geslecht was werd BOOR gedwongen inhoudelijk op ons bezwaar in te gaan, wat natuurlijk afgewezen werd, waardoor opnieuw een gang naar de bestuursrechter volgende over de inhoudelijke kwestie. Uiteindelijke besliste de bestuursrechter dat hij niet bevoegd was over de zaak te oordelen omdat het Early-Birdproject een beleidsplan was van een lokale overheid en artikel 8-2 van de Algemene Wet Bestuursrecht de bestuursrechter verbiedt hierover te oordelen. Het was inmiddels het jaar 2008.

Het proces bij de bestuursrechter

De overheid moet zich aan zijn eigen wetten houden en de bestuursrechter ziet daarop toe. In dit geval bleek echter dat het onmogelijk is een lagere overheid aan de wet van een hogere overheid te houden, zodra die lagere overheid zich erop beroept dat de wetsovertreding een beleidsplan is. In het burgerrecht kunnen twee partijen elkaar echter aan de wet houden: Wie de wet ondertreedt handelt onrechtmatig en kan via een onderechtmatigedaadprocedure aan de wet gehouden worden. De overheid is in het burgerrecht gewoon een partij en dus is het mogelijk via het burgerrecht een wetsovertredende gemeente alsnog ter verantwoordig te roepen.

Wie voor de burgerrechter echter met succes een vordering op iemand die een onrechtmatige daad begaat wil kunnen instellen moet aantonen dat hij schade leidt door het onrechtmatig handelen van de andere partij. Degene die schade leiden van het handelen van BOOR zijn Nederlandstaligen, dat is echter niet hetzelfde als Stichting Taalverdediging. Het bestuursrecht kent echter het concept van collectieve actie. Stel een leverancier van televisies komt zijn garantieverplichtingen niet na. Voor een bezitter van zo'n televisie wegen de moeite en de kosten van een proces niet op tegen het nakomen van de garantieverplichting. Op die manier zou zo'n leverancier er altijd mee weg komen. Bij een collectieve actie kan een partij die de belangen behartigt van de benadeelde consument echter ook een rechtzaak beginnen en zo in het belang van iedere zorgen dat de leverancier zijn verplichtingen nakomt.

De statuten van Stichting Taalverdediging zijn zo opgesteld dat onze stichting de belangen van alle Nederlandstaligen behartigt. Taalverdediging zou dus namens alle Nederlandstaligen een proces kunnen voeren om de Gemeente Rotterdam aan de wet te houden. Het proces tegen BOOR en de Gemeente Rotterdam bij de burgerrechter was geboren.

De proef

BOOR wist drommels goed dat de wet een belangrijk obstakel voor hun revolutionaire onderwijspraktijken was en begon te lobbyen in Den Haag. Via contacten met de Onderwijsraad werd een advies gepubliceerd dat er een proef zou moeten komen waarin voor 15% van de onderwijstijd het Engels als voertaal gebruikt zou moeten worden. Er is namelijk een Experimentenwet die het mogelijk maakt om tijdelijk onderwijsexperimenten mogelijk te maken waarbij van de wet afgeweken wordt. De Early-Birdscholen zouden zich bij deze proef kunnen aansluiten en op die manier binnen de wet kunnen vallen. De Tweede-Kamer trapte er uiteindelijk niet in. De proef kwam er, maar met een maximum aantal scholen en een maximum van twee per regio.

Het tussenvonnis

Op 24 november publiceerde de rechtbank een tussenvonnis. Dit vonnis was opgesteld door een meervoudige kamer van drie ervaren rechters, een teken dat de rechtbank de zaak uiterst serieus nam en ook de inhoud.deed blijken van een serieuze analyse van de zaak. De juridische constructie van de rechtszaak kwam met vlag en wimpel door de juridische toetsing en alle bezwaren van BOOR tegen de ontvankelijkheid van onze stichting werden van tafel geveegd.

In het tussenvonnis gaf de rechtbank Taalverdediging dat de bedoeling van de wet zonder gemits en gemaar betekent dat er het basisonderwijs is geen ruimte is voor een andere voertaal dan het Nederlands. Dit blijkt uit de letterlijke tekst, de wetsgeschiedenis en de opvattingen van de minister en de Tweede Kamer. Echter... het geven van een proef ziet de rechtbank hier als mogelijke rechtvaardigingsgrond om onderwijs in strijd met de wet gegeven. Het was de rechtbank niet duidelijk of Early-Bird onder de proef kon vallen. De rechtbank gelastte een comparitiezitting waarop Taalverdediging en BOOR dit konden toelichten.

De comparitie

Taalverdediging heeft tijdens de comparitiezitting uiteengezet dat er een speciale wet voor experimenten bestaat en dat het experimenteren buiten die wet dus nooit een rechtvaardiging kan zijn voor het overtreden van die wet. Tevens heeft Taalverdediging een ontheffingsbesluit getoond wat scholen die aan het 15%-experiment meedoen is gegeven en waar BOOR-scholen niet over beschikken. Taalverdediging en BOOR waren het er over eens dat het 15%-experiment formeel verschillend was van Early-Bird, maar materieel op hetzelfde neerkwamen.

BOOR hamerde er tijdens de comparitie in het bijzonder op dat alle BOOR-scholen gedurende minder dan 15% van de onderwijstijd Engels als voertaal hanteerden, hetwelk overigens niet in alle gevallen waar is en dan ook door onze advocate werd betwist. Een nieuw argument van de zijde van BOOR, gestaafd door de onderwijsinspectie waarvan twee inspecteurs aanwezig waren, was dat er in het basisonderwijs geen vakken bestonden en dat vakken in samenhang met elkaar gegeven dienden te worden. Dat zou dus betekenen dat aardrijkskunde in het Engels gegeven mag worden om zo aardrijkskunde en Engels in samenhang te geven.

Het uiteindelijke vonnis

In uiteindelijke vonnis blijft de rechtbank bij het eerder in het tussenvonnis al ingenomen standpunt dat er geen ruimte is voor een andere voertaal dan het Nederlands. De opvattingen van BOOR en met name van de onderwijsinspectie werden van tafel geveegd. Tevens stelt de rechter dat de wet stelt dat vakken zo veel mogelijk in samenhang gegeven moeten worden geen reden is af te wijken van de andere de wettelijke eis dat de voertaal Nederlands is. De wet stelt beide eisen, en BOOR moet beiden respecteren.

De rechter gaat ook mee in de betekenis van de experimentenwet en dat het bestaan daarvan betekent dat niet zomaar buiten de experimentenwet geŰxperimenteerd mag worden. Waar het echter misgaat is dat de rechtbank de aanname doet dat de minister in gelijke gevallen gelijk zal oordelen en verwacht dat als de Early-Birdscholen een aanvraag doen mee te mogen doen met het experiment deze evengoed gehonoreerd zullen krijgen als de experimentscholen. De rechtbank is hier duidelijk onvolledig ge´nformeerd en lijkt niet op de hoogte van de beperkingen die de Tweede Kamer heeft gesteld aan het experiment, zowel in het aantal scholen dat meedeed, als in het aantal scholen per regio dat mee moest doen.

Het gevolg is dat de rechtbank oordeelt dat de Early-Birdscholen onrechtmatig handelen voor zover zij meer dan 15% van de onderwijstijd Engelstalig lesgeven. De rechtbank maakt daarbij wel de opmerking dat de BOOR-scholen de resultaten van het experiment ter harte moeten nemen: Als het experiment stopt, dan zal BOOR ook moeten stoppen.

De balans opgemaakt

Taalverdediging kan met het vonnis in de hand het Early-Birdproject indammen: Scholen die teveel Engels als voertaal gebruiken zullen dit moeten staken. Deze 15% geldt ook als een boodschap "tot hier en niet verder". Niet alleen kan BOOR het Early-Birdonderwijs niet in urental uitbreiden, de procesgang heeft BOOR de afgelopen jaren reeds bewogen voorzichtig te zijn en het aantal uren niet te ver doen uitbouwen.

Het onvolledig ge´nformeerd zijn van de rechtbank over de beperkingen die aan het experiment gesteld zijn is een feitenkwestie die in een hoger beroep vrij eenvoudig recht te zetten moet zijn. Wij besturen momenteel de voor- en nadelen van een dergelijk hoger beroep. De rechtbank laat de echte kwestie echter over aan de politiek: Stopt het experiment, dan stopt ook Early-Bird. Het experiment stopt op 31 december van dit jaar. De politiek zal er dus spoedig over moeten spreken.